header visual

Passend onderwijs

ondersteuningsprofiel Ondersteuningsprofiel
Almere College 2017-2018                            

Binnen de huidige structuur met de aanwezige expertise, de kennis en vaardigheden van docententeams en de huidige tijdsinvestering kan veel ondersteuning geboden worden.
Binnen het Almere College kunnen leerlingen met dyslexie goed begeleid worden. Datzelfde geldt in toenemende mate voor leerlingen die door ziekte langdurig of vaak verzuimen.

Leerlingen met een stoornis in het autistisch spectrum kunnen terecht op het Almere College vooropgesteld dat er wel een redelijke mate van contact mogelijk is, sprake van leerbaarheid en een redelijke mate van zelfstandigheid.

Door intensieve samenwerking met ketenpartners (schoolmaatschappelijk werk, sociaal pedagogische hulpverlening en GGZ) kan het Almere College ook onderwijs bieden aan leerlingen die gehinderd worden in hun leren door niet direct school-gerelateerde problematiek.

Het Almere College heeft een afdeling voor praktijkonderwijs. Daar kunnen moeilijk lerende kinderen terecht en tot op zekere hoogte ook zeer moeilijk lerende kinderen.  Binnen het team docenten van de afdeling praktijkonderwijs is zoveel pedagogische expertise aanwezig dat hier ook leerlingen terecht kunnen die op of net over de grens zitten van een cluster vier indicatie. Dan gaat het over leerlingen met internaliserend dan wel (niet te extreem) externaliserende gedragsproblematiek.

Alle gebouwen beschikken beperkt over de mogelijkheid om lessen op de begane grond te laten plaats vinden en/of er is een lift aanwezig. Daarmee is de school in principe toegankelijk voor lichamelijk minder valide leerlingen die zich verplaatsen op krukken of in een rolstoel.

De grenzen aan ondersteuning binnen het Almere College liggen op de volgende vlakken:
cluster één en twee leerlingen, bedlegerige leerlingen, leerlingen met diep psychiatrische problematiek en een intensieve behandelingsbehoefte en leerlingen die een langdurige dan wel blijvende behoefte hebben aan individuele begeleiding en/óf weinig zelfstandigheid tonen en daarin niet of nauwelijks leerbaar zijn.

Verder is er een duidelijke grens als het gaat om (fysieke) veiligheid van anderen, zowel leerlingen als personeel. Daar waar die veiligheid in het gedrang komt, houdt het op.