Het vak verzorging is een heel breed begrip.
Bij verzorging leer je namelijk
veel over de gezondheid van mensen en de zorg voor mensen.
En die kennis kan je
later nodig hebben in je beroep. In dit vak gaan we zoveel mogelijk leren door te doen.
Het
vak houdt gezonde voeding, zorg voor jezelf, koken en huishoudelijke
vaardigheden in.
De leerlingen leren samenwerken en taken te verdelen.
In het 1e en 2e jaar maken jullie kennis met het vak
verzorging.
Een keer in de week sta je in de keuken en leer je voor jezelf te
koken.
Je gaat gerechten maken zoals; soep, pasta,
aardappelen, groente, pizza, koekjes en
nog veel meer andere lekker dingen. Soms
mag je zelfs wat mee naar huis nemen.
Ook krijg je verzorging in het zorg en welzijnlokaal.
In de
onderbouw leer je vooral voor jezelf te zorgen op allerlei verschillende
gebieden.
Hierbij moet je denken aan:
In de derde en vierde klas,
zit je in de beroepsoriënterende fase.
Die jaren krijg je een ander programma wat meer gericht is
op het verzorgen van andere mensen.
De eerste periode ga je werken in
verschillende hoeken in het lokaal.
In alle hoeken ga je bezig met een ander onderwerp.
De onderwerpen die we dan gaan behandelen zijn:
In de laatste periode sta je veel in de keuken.
Kennis en
vaardigheden bij het bereiden van een maaltijd en het uitserveren komen daarbij
aan de orde.
Kies je voor de opleiding zorghulp in leerjaar 4, dan kun je later gaan werken in een zorg- of welzijnsinstelling of bij mensen thuis die zorg nodig hebben.
Je helpt daar bij:
Schoonmaakwerk zoals stof afnemen, stofzuigen, vloeren reinigen, badkamers en wc's schoonmaken, ramen lappen; het verzorgen van textiel, kleding en schoenen; het verzorgen van de voeding; het verzorgen van recreatie (sport en spel).
In dit werk is het belangrijk dat je, je instelt op de persoon die jouw zorg
nodig heeft.
Dat
betekent dat je, je eigen werk laat liggen als je wordt gevraagd om tussendoor
even iets ander te doen.
Verder moet
je het verzorgen van mensen wel als werk blijven zien, ook al ga je heel goed
om met deze mensen.
Als ze jou
iets vertellen dat privé is, vertel je dat niet aan anderen.
Naast de punten die al zij genoemd, word je geleerd dat je de opdrachten eerst
bespreekt met je collega's of met je baas en daarna ook met de persoon die je
verzorgt.
Je zorgt er voor dat je de opdracht begrijpt en voert deze uit zoals afgesproken en op tijd.
Zo kun je:
Schoonmaakwerk uitvoeren. Je doet dat volgens de regels; je let dus op hygiëne, veiligheid en het milieu. Textiel kleding en schoenen verzorgen. Je sorteert, wast en droogt de was. Je strijkt en vouwt de gedroogde was en ruimt hem op. Je voert kleine reparaties uit aan de kleding; je poetst de schoenen. Helpen bij recreatie zoals spelletjes, gymnastiek en zwemmen en activiteiten. Je verplaatst de persoon die je helpt naar de activiteit. Je helpt bij het voorbereiden van de activiteit. Je doet zelf mee als dat passend is. Zorgen voor de voeding. Je helpt bij het klaarmaken en klaarzetten van eten en drinken. Je haalt boodschappen. Je helpt opruimen. Je let op hygiëne. Omgaan met de mensen die je verzorgt. Je spreekt in duidelijk en correct Nederlands. Je overlegt met ze over de dingen die je gaat doen. Je bent vriendelijk. Je kunt omgaan met vertrouwelijke informatie.